Dat we steeds minder plannen werd duidelijk in Livingstone. We hadden eigenlijk nog geen idee of we linksom of rechtsom omhoog door Zambia zouden trekken. Nadat Jolene de vorige middag de Bradt Guide (uitstekende gidsen!) had gelezen reden we deze ochtend linksom naar het Kafue National Park. Dit niet toeristische park is maar liefst 22.000 vierkante kilometer groot, heeft een groot meer, weides en nog veel meer! Dat moest wel spectaculair zijn.

Een etmaal in de auto

Dat we een ‘road less travelled’ zouden nemen wisten we. Na ongeveer 1,5 uur op een perfecte asfaltweg gereden te hebben kwam we bij een klein stadje genaamd Kalomo uit. Dit was het begin van de onverharde weg. We reden letterlijk door een markt heen en zo het dorp weer uit. Vervolgens reden we over een behoorlijk matige weg richting de Zuidelijke gate van Kafue National Park. Onderweg kwamen we tal van dorpjes tegen en nog meer fietsers. Iedereen zwaait en lacht als je voorbij komt en omdat we soms zo zacht moeten rijden maken veel Zambianen ook nog even een praatje. Wat zijn de mensen hier geweldig! Uiteindelijk kwamen na zes uur rijden bij de Dumdumwezi Gate aan.

Waar gaan de dollars heen?

Wij weten dat de entreegelden van Kafue NP in ieder geval niet naar het onderhoud van de wegen gaan. Na een snel bakkie koffie reden we verder, we moesten immers nog meer dan 110 kilometer naar onze Hippo Bay Campsite. Omdat de weg voor het droge seizoen nog te nat was werden we over de ‘Cordon Road’ gestuurd. Het ene deel was nog slechter dan het andere en de weg was soms zo ongelijk dat de auto bijna kantelde. Het meest uitdagende waren de overgangen van een hoge linkerkant naar een hoge rechterkant van de weg omdat er dan gewoon twee wielen in de lucht hangen :)! Het werd ons al snel duidelijk dat we onze bestemming voor die avond nooit zouden halen.

Waar gaan we overnachten?

KafueVanaf dat moment begonnen we voorzichtig om ons heen te kijken waar we de auto konden parkeren voor die nacht. Omdat de grassen zo enorm hoog zijn is het lastig om een goede plek te vinden. Je wilt namelijk een beetje overzicht hebben en tussen de prikkende Tsetse vliegen slapen is ook niet zo fijn. Op maps.me (onze GPS app) zagen we vervolgens een bush-landingsbaan een stuk verderop. Zo hard als we konden (niet hard) reden we met het laatste beetje zonlicht naar de landingsbaan. Daar stond toevallig een ‘game scout’ (parkwachter). Toen wij hem vroegen of we niet naast zijn huisje konden kamperen vond hij dat geen enkel probleem. Hij vond het zelfs een goed plan na 12 uur rijden.

Steven, onze nieuw vriend

De parkwachter bleek Steven te heten en was een game scout voor de Zambiaanse overheid. Hij was ongeveer 1.60 meter lang maar stond zijn mannetje. Wij waren ‘zijn clients’ en hij begon direct een oude WC pot in het gebouwtje schoon te maken en te vullen met water. Wij klapten onze tent uit en nodigden Steven uit voor een diner. Waar het lokale dieet voornamelijk bestaat uit een soort pap aten wij die avond noedels met Shakalaka (een mix van butternut, ui, wortel en peper) en een groot glas Fanta.

Kafue

Steven bleek al lange tijd game scout te zijn en had mooie verhalen over de regio en over Zambia in het algemeen. Het bleek bovendien de eerste keer te zijn dat hij noedels at en de Shakalaka was veel te pittig. Hij vertelde over zijn dochters die allebei aan het studeren waren en waarvoor hij hard werkte om de schoolgelden te kunnen betalen. Sinds kort hebben ze een TV in het kamp waar hij woont als hij niet bij de landingsbaan is gestationeerd en anders leest hij vooral romans. Wat een wereldvent. Het is een enorm cliché maar de mensen die je ontmoet op zo’n reis is waar het echt om gaat. Na een heerlijke nacht in de wildernis namen we afscheid van Steven maar niet voordat we nog een foto hadden gemaakt. Hij trok daar speciaal zijn legertrui met bijpassende pet voor aan. Ook haalde hij zijn geweer tevoorschijn. Je bent game scout of niet.

Geef een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *